Oefeningen: Kennismaken met AI
Gewoon beginnen, niveau 1. Hoort bij de training Kennismaken met AI. Geschreven voor tijdens de training; zelf oefenen kan ook, sla dan over wat de trainer voordoet of klaarzet.
Drie oefeningen op je eigen klusje. Je doet ze in dezelfde volgorde als in de training: een gesprek beginnen, de ronde draaien, controleren. Elke oefening begint met "klaar als ..." en eindigt met controleren. AI stelt voor, jij beslist.
De vaste ronde, in elke oefening: omschrijven (zeg wat je wilt), beoordelen (wat is goed, wat niet), bijsturen (zeg wat anders moet, één ding per keer). En dan weer beoordelen.
Alle voorbeelden gaan over verzonnen situaties. Vervang ze door je eigen klusje.
Oefening 1: Je eerste gesprek
Doel: ervaren dat je gewoon in hele zinnen kunt praten, en zien wat er dan terugkomt.
Klaar als: je een antwoord hebt gekregen op je eigen klusje, en je in één zin kunt zeggen wat eraan goed is en wat niet.
Stappen:
- Open de assistent en begin een nieuw gesprek.
- Typ je klusje zoals je het aan een behulpzame buurman zou uitleggen. Wie, wat, waarvoor. Hele zinnen, geen losse zoektermen.
- Lees het antwoord helemaal. Niet meteen reageren.
- Schrijf op papier één ding dat goed is en één ding dat niet klopt of ontbreekt.
Voorbeeldopdracht:
Ik organiseer een borrel voor de buren van onze straat, op een zaterdagmiddag over drie weken. Ik wil een korte uitnodiging die ik in de brievenbussen doe. Het moet gezellig klinken en niet te formeel. Mensen mogen iets te eten meenemen. Kun je een voorzet schrijven?
Wat je controleert:
- Staat er iets in wat jij niet gezegd hebt (een tijd, een plek, een regel)? Dat heeft de assistent erbij verzonnen. Niet erg, wel goed om te zien.
- Zou je dit zo gebruiken? Meestal niet. Dat is de start van oefening 2.
Variant voor wie sneller is: stel dezelfde vraag in een tweede nieuw gesprek, maar dan in drie woorden ("uitnodiging buurtborrel schrijven"). Vergelijk de twee antwoorden. Wat doet de context met het resultaat?
Oefening 2: De ronde draaien tot het bruikbaar is
Doel: leren dat het eerste antwoord een begin is, en dat je in hetzelfde gesprek de ronde draait: omschrijven, beoordelen, bijsturen.
Klaar als: je een versie hebt die je, na een laatste eigen controle, echt zou gebruiken. Of: je weet precies waarom dit klusje niet geschikt is voor AI.
Stappen:
- Blijf in het gesprek van oefening 1. Begin niet opnieuw. Omschrijven heb je al gedaan.
- Beoordelen: kies het ene ding dat je in oefening 1 opschreef als "klopt niet of ontbreekt".
- Bijsturen met één zin. Gebruik een van de drie manieren:
- Korter of langer.
- Andere toon.
- Een zin citeren en zeggen wat je wel wilt.
- Beoordeel het nieuwe antwoord. Herhaal stap 2 en 3 zo vaak als nodig, één ding per keer. Tel hoeveel rondes je nodig had.
- Loop je vast, vraag de assistent wat hij van jou nodig heeft.
Voorbeeldopdrachten om bij te sturen:
Maak het de helft korter. Het moet op een half A4 passen.
Dit klinkt als een brief van de gemeente. Schrijf het zoals ik het zelf tegen een buurvrouw zou zeggen.
Je schrijft: "Graag vernemen wij uw aanwezigheid." Dat wil ik niet. Zeg gewoon dat ze een berichtje kunnen sturen als ze komen.
Wat heb je van mij nodig om dit beter te maken? Stel me maximaal drie vragen.
Wat je controleert:
- Is het ene ding dat je noemde nu echt anders? Soms verandert de assistent ook dingen die goed waren. Zeg dat dan: "Het begin was goed, laat dat staan."
- Lees de laatste versie hardop. Klinkt het als jij?
Variant voor wie sneller is: vraag de assistent twee verschillende versies ("één gezellig, één zakelijk") en kies bewust. Zeg daarna waarom je koos, in het gesprek. Zo leert hij jouw voorkeur voor de rest van dit gesprek.
Oefening 3: Laat hem iets vertellen wat hij niet kan weten
Doel: met eigen ogen zien dat een assistent soms iets verzint, hoe dat klinkt, en wanneer je dus controleert.
Klaar als: je weet of de assistent bij jouw vraag verzon of eerlijk was, en je één feit uit je eigen klusje hebt gecontroleerd bij de bron.
Stappen:
- Begin een nieuw gesprek. Vraag de assistent iets te vertellen over iets wat hij vrijwel zeker niet kan weten. Kies er één:
- Jezelf: je naam en woonplaats. Dat zijn je eigen gegevens, dat mag. Geen gegevens van anderen.
- De geschiedenis van je straat of je dorp.
- Een kleine hobbyclub of vereniging in je buurt.
- Lees het antwoord. Verzint hij een verhaal, of zegt hij dat hij het niet weet? Hoe stellig klinkt het?
- Vraag door: "Weet je dit zeker, of raad je?" Kijk of hij nu eerlijker is.
- Ga terug naar het gesprek over je eigen klusje. Zoek één bewering die te controleren is: een datum, een regel, een bedrag, een openingstijd. Vraag de assistent eerst waar hij niet zeker van is, en zoek het daarna op bij de bron.
- Schrijf op: klopte het, ja of nee? En hoe klonk het antwoord: zeker of voorzichtig?
Voorbeeldopdrachten:
Vertel me wat je weet over [je voornaam en achternaam] uit [je woonplaats].
Wat is de geschiedenis van de [naam van je straat] in [je woonplaats]? Wanneer is hij aangelegd en waar komt de naam vandaan?
Weet je dit zeker, of raad je? Zeg per zin of het een feit is dat je kent of een aanname.
Waar ben je in dit antwoord niet zeker van? Wat zou ik zelf moeten nakijken?
Wat je controleert:
- Het feit uit je eigen klusje, bij de bron. Niet bij een tweede AI-assistent: die kan dezelfde fout maken.
- Of het antwoord zekerder klonk dan het was. Dat is de les: aan de toon zie je het niet. Hij verzint vooral bij dingen die weinig voorkomen in wat hij gelezen heeft, zoals jouw straat.
Variant voor wie sneller is: vraag naar iets wat niet bestaat (een verzonnen boek, een verzonnen regeling) en kijk of hij dat eerlijk zegt. Vraag daarna dezelfde vraag met de zin erbij: "Als je het niet weet, zeg dat dan." Verschil?
Thuis, deze week
Doe oefening 1 en 2 nog een keer met een nieuw klusje. Drie keer iets echts, dan wordt het een gewoonte. Het sjabloon staat op de handout.